Platform Levensbeschouwing in
Kleurrijk Fryslân
Inloggen
 
 
 
 

 
 
NIET BANG VOOR EEN HOOFDDOEKJE MEER OF MINDER.

Inleiding Roel Sluiter, wethouder voor o.a. zorg, opvang en grotestedenbeleid Leeuwarden.


We zijn hier aanwezig in een moskee en ik dank voor de gastvrijheid hier mijn verhaal te mogen doen.
Maar, en ik wil niet aanmatigend overkomen, ik ben er vast van overtuigd dat deze religieuze organisatievorm –het is toch een kerk- geen groeimodel is. Ik beoordeel dat als gunstig en dat bepaalt wat mij betreft de rol van de lokale overheid tegenover de “levensbeschouwelijkheid”, in dit geval dus ook tegenover de islam.

Ik probeer dat uit te leggen.

Een paar weken geleden was ik als wethouder Zorg en Opvang op werkbezoek in een multicultureel vrouwenhuis in Groningen. Niet alleen voor allochtonen vrouwen, dat vrouwenhuis, nadrukkelijk voor alle vrouwen.
Het was een nuttig werkbezoek; er wordt in of vanuit dat vrouwenhuis van alles aan activiteiten georganiseerd en gecoördineerd, zaken die in Leeuwarden nogal eens versplinterd zijn, met elkaar concurreren of door gebrek aan organisatievermogen helemaal niet plaats vinden.

Mooi dus, iets om van te leren. Maar er gebeurde meer. Ik uitte m’n scepsis tegen een huis exclusief voor vrouwen, is dat niet iets van vroeger, en zeker als het om allochtone  vrouwen gaat, is dat dan niet erg bestendigend ten opzichte van de traditioneel geïsoleerde positie van vrouwen die wij nu juist willen veranderen?
Nee, dat zag ik niet goed; voor sommige vrouwen was dit de enige gelegenheid om er toch nog eens uit te komen en zo kwamen die vrouwen, in dat huis exclusief voor vrouwen, toch in aanraking met vrouwen die veel meer in het openbare leven staan. Ze leren dingen over de samenleving waarin ze wonen waaraan ze anders voorbijgegaan waren. Vaak lijkt het niet zo modern, maar het kan het begin van een grote vooruitgang zijn.
Tussendoor maakte iemand ineens een mooie observatie.  In Groningen zie je nog maar bij twee of drie loketten in de stad een vrouw met een hoofddoekje achter de balie zitten. In Amsterdam is dat bij veel meer balies het geval, bij het postkantoor, de sociale dienst, bij de receptie van enkele bedrijven zelfs.
De achtergrond van deze observatie was niet een soort van tolerantie ten opzichte van hoofddoekjes, maar het ging om de vaststelling dat in Amsterdam veel meer geëmancipeerde moslimmeisjes, in dit geval te herkennen aan hun hoofddoekjes, aan het werk zijn in het openbare leven ten dienste van alle burgers. En mooie vaststelling, juist omdat de hoofddoek maar zelden als teken van emancipatie wordt gezien. (Daar hoeven we ons dus niet meer druk over te maken, je kunt ook gewoon positief tegen hoofddoekjes aankijken.)
Maar: zo heel welwillend geïnterpreteerd, kan het niet anders of diezelfde hoofddoekjes zijn een aflopende zaak. Bij voortschrijdende emancipatie en verdere deelname aan het algemeen maatschappelijk leven gaan onherroepelijk steeds meer van die hoofddoekjes af totdat het als een verschijnsel van een vorige generatie uit zal sterven en niet weer terug zal keren, hooguit als klederdracht  zoals op Urk of Spakenburg.

De hoofddoek welwillend geïnterpreteerd, zei ik. Er is ook de bekende onwelwillende interpretatie van de “oprukkende hoofddoek” in ons straatbeeld.
Het boezemt tamelijk grote groepen in onze samenleving immers angst in voor ”islamisering”
en radicalisering, het is “vreemd”, er zijn er “teveel”, Nederland is “vol” en in 2000-zoveel zijn er wel zus-en-zoveel allochtonen en worden wij overspoeld.
Blijft er dan nog wel plaats voor de echte Nederlander? Hoe behouden wij het Nederlands-eigene, de Nederlandse cultuur tegen die stortvloed van Islamisering?
De vriendelijkste opmerking die in dit koor nog gemaakt kan worden is dat ”die gasten mogen blijven als ze zich dan maar aanpassen” .
Met de sporadisch voorkomende boerka als een absoluut schrikbeeld van niet-aanpassing.

(Hoewel, hoewel..ook hier? Er staat van tijd tot tijd een schitterend klein stripverhaaltje in de Volkskrant waar vrouwen in boerka tamelijk schetsmatig maar zeer herkenbaar zijn getekend, allebei met een “Dirk”-tas (de beroemde supermarkt in de randstad Dirk van den Broek, ontzettend Nederlands) die op een zeer Nederlandse wijze met elkaar communiceren; hetzelfde effect dus als bij de hoofddoekjes die ik daarnet al noemde, maar dan als stripverhaal – let er maar eens op als u de Volkskrant openslaat.)

Maar er is dus die veelbesproken onwelwillende houding die echt een maatschappelijk probleem is en ook steeds heftiger tussen autochtone Nederlanders in gaat staan.
Dat vind ik een groter probleem dan de zogenaamde dreiging waarvoor steeds gewaarschuwd wordt.

Ik word tenminste bijzonder ontstemd door de Wilders en Verdonk-achtige radicalisering die veronderstelde “Nederlandse waarden” verabsoluteert in een ongelofelijk huisbakken Hollandse spruitjeslucht:  “Trots op Nederland”.
Getverdemme. Als dat de Nederlandse cultuur is, wil ik net zo lief Marokkaan worden.

Terwijl ik een echte Nederlander ben!

Dat klinkt een beetje kolderiek misschien, maar het voelt echt zo. Ik ben hier echt geboren, voor zoveel ik na kan gaan is mijn  hele voorgeslacht van hier (ik ga er niet serieus genoeg mee om, maar ik weet bijna zeker dat mijn verst te traceren voorouder een calvinistische dominee in de Achterhoek was; wel pikant in het kader van dit praatje vind ik).  Ik kan enorm van het buitenland houden, op vakantie en op interessante stedentripjes, maar ik zou er niet kunnen wonen.
(Nog niet eens in België waar ik eigenlijk het meest van houd als het om het buitenland gaat.)

Als echte Nederlander weet ik dat de geschiedenis geen dag stopt. Ik ben evenzeer “ trots op Nederland” maar dan wel op dat steeds veranderende land: het beweegt, het worstelt, het verandert ingrijpend om dan meteen weer verder te bewegen.
Die bewegende Nederlandse cultuur, nooit constant, moeilijk grijpbaar, is intussen wel bijzonder dominant. Dat is een paradox, maar die komen wel vaker voor.
De makke van de zgn. ‘zoektocht naar de Nederlandse cultuur’ zit hem er in dat die beweging gemist wordt en de paradox over het hoofd gezien wordt. Men is steeds naarstig op zoek naar constanten, dat wat tussen alle beweging door ‘blijvend’ is. En daarom zijn die zoektochten uiteindelijk vruchteloos. Het is echt prima om je bezig te houden met de geschiedenis (ik ben jaren leraar geschiedenis geweest, wat zal ik anders zeggen?) maar de geschiedenis leert je toch vooral de veranderingen en de “canon” van de Nederlandse geschiedenis (en is er ook al niet een Friese canon?) : leuk, helemaal niet verkeerd om te weten, maar het wezen van ons land?

Waarom ik alleen in Nederland kan wonen, heeft te maken met taal, met het redelijk snappen hoe het werkt in de samenleving. Het heeft te maken met het begrijpen juist van de veranderingen die in je land hebben plaatsgevonden: je land is als een oude jas die warm om je heen hangt: je weet dat-ie er vroeger anders uitzag maar je bent er zelf steeds meer ingegroeid en je kent elk uitgesleten plekje, die knoop die nooit meer werd aangenaaid en er zitten ouden bonnetjes in een binnenzak en die laat je maar zitten: het is een soort van behaaglijkheid.
(In zekere zin heb ik nu, denk ik, ook wat wezenlijke dingen over integratie gezegd, maar dat is toch een ander onderwerp.)

Ik moet terugkeren naar de lijn van mijn  verhaal: de door mij beweerde dominantie van de Nederlandse cultuur die er uiteindelijk voor zal zorgen dat de hoofddoekjes verdwijnen en dat moskeeën eerder gesloten dan geopend zullen worden, zoals dat ook met gereformeerde en katholieke kerken is gegaan.

Als er een beweging in de jaren na de tweede wereldoorlog dominant in de Nederlandse cultuur is geweest, dan is dat de beweging van de ontkerkelijking.
Ooit werd ons land onverbloemd verkocht als een bij uitstek “christelijk” land. Bedoeld werd protestants-christelijk, maar er waren ook andere christenen en die waren katholiek.  Sinds de zestiende eeuw waren de katholieken in Nederland tweederangs christenen. Dat had te maken met de tachtigjarige oorlog tegen Spanje. In de tijd van de katholieke emancipatie in de tweede helft van de negentiende eeuw, waren de protestanten bang dat ze overspoeld zouden worden door de katholieken die immers veel meer kinderen kregen en waar inderdaad de katholieke kerk prijzen uitloofde voor de gezinnen waar de meeste kinderen werden voortgebracht. De protestantse christenen konden in hun ingetogenheid daar niet aan tippen: tot de voor zoveel kinderen noodzakelijke ontuchtigheid waren zij niet in staat; dit moet de enige verklaring zijn voor hun achterblijvende prestatie op dit gebied. Feit is dat de protestanten hun cultuur ernstig bedreigd voelden. En ze hadden daarvoor toen al diezelfde typische Verdonk-achtige “trots op Nederland” teksten. De geïnstitutionaliseerde onkerkelijkheid kwam binnen met het ontstaan van krachtig georganiseerde politieke partijen (nota bene ook door protestanten en katholieken sterk bevorderd, die partijvorming aan het einde van de negentiende eeuw), met een sterke liberale stroming die neutraal tegenover de kerk stond en de kerk politiek onbetekenend vond en de socialisten die rechtuit anti-kerkelijk waren.
We kennen deze vierdeling onder de term “verzuiling”.

Hadden we dus voor de tweede wereldoorlog te maken met een volstrek verdeelde christelijke kerk en twee sterke niet-christelijke politieke maar ook geestelijke stromingen, na de tweede wereldoorlog was het onherroepelijk gedaan met de positie van de kerk en de religie als wezensbepalend voor onze samenleving.

De jaren vijftig zijn ons referentiepunt als wij het over veiligheid en overlast hebben en als we over de zo belangrijke normen en waarden spreken.
Tegelijk waren dit de jaren waarin de basis gelegd werd voor de vernietiging van die waarden waar we zo naar op zoek zijn.
Immers: in de jaren vijftig was onze samenleving keurig op orde. Vader werkte (bijna volledige werkgelegenheid), moeder was thuis en zorgde voor het eten en de kinderen (zodra ze ging trouwen, werd ze ontslagen, dus ze werkte niet, nooit.) Iedereen kende steeds zijn plaats in de rangorde van de samenleving en voor de autoriteiten (commissarissen der Koningin, maar ook voor wethouders) was steeds gepaste eerbied. De buurtagent, de schoolmeester en de dokter waren de autoriteiten dicht bij huis en als heren elkaar tegenkwamen, lichtten zij de hoed. Je kon je fiets tegen het hek zetten zonder hem op slot te doen, de achterdeur stond altijd open en ’s avonds was het stil en veilig op straat. En bijna iedereen was ergens bij betrokken: de kerk, politieke partijen, sportclubs enzovoort: allemaal verzuild op levensbeschouwelijke basis.

In die prachtige jaren ben ik opgegroeid. Maar in een gloednieuw omgeving: in Morgenstond in Den Haag, een wijk die louter uit gloednieuwe huizen bestond, in razend tempo gebouwd om aan de in de oorlog ontstane woningnood tegemoet te komen.
In die nieuwe en voor die tijd bijzonder comfortabele woningen (ligbad, centrale verwarming) woonden aan gezellige galerijen allemaal “nieuwe mensen”. Nieuw in die zin dat ze van alle delen van het land naar de grote stad Den Haag waren toegekomen om er te werken.
Deze mensen hadden de wind mee. Ze waren jong en stonden aan het begin van hun loopbaan. Ze hadden de oorlog meegemaakt maar het ging hoewel het nog sober was, nu allemaal beter.
Bij ons op de galerij woonden katholieken, protestanten, socialisten, mensen die zeker “niks” waren en ze kwamen van alle kanten van het land.

Een door niemand voorzien, spontaan opgekomen experiment in sociale integratie. Want al deze mensen, bijvoorbeeld mijn ouders van streng gereformeerde komaf uit Gelderland, hadden het begin van hun leven vooral binnen de eigen kring doorgebracht. Het was de tijd geweest waarvan eens iemand
 had gezegd dat als je samen met een volstrekt onbekende ergens  moest staan wachten, dat je binnen een minuut precies wist door kleding, tongval, wat typische woorden en manieren uit welke zuil hij afkomstig was en dan was dat weten ook bijna altijd een signaal om niets met die ander te maken willen hebben.
Nu woonden die mensen op een galerij, in een flatgebouw, waarvan er in de grote steden in het westen ontelbare werden gebouwd om daarna in de provincie, bijvoorbeeld hier, in Heechterp/Schieringen, en overal in Nederland ook gebouwd te worden en overal voltrok zich dat experiment.
Ik kan me van die tijd herinneren dat het een vrolijke en optimistische tijd was. Al die mensen kwamen uiteindelijk op gezellige feestjes bij elkaar op bezoek en bleken, eenmaal losgemaakt uit hun afzondering ontzettend benieuwd naar elkaar en ze vertelden elkaar van de idioterie waarin ze hadden moeten geloven en er kwam een ijskast, een auto en de eerste buitenlandse vakantie: helemaal in de deux cheveaux naar Italie.      

Hier is bij mijn weten nog nooit systematisch wetenschappelijk onderzoek naar gedaan maar hier, in de jaren vijftig en dan vooral in al die flats met die naar een fijn leven verlangende mensen afkomstig uit alle windstreken en vanuit alle geloven, is de ontzuiling en de ontkerkelijking begonnen en daarop kon de alles omverwerpende opstandigheid van de jaren zestig en zeventig tot bloei komen.

In de jaren zestig en zeventig bleken alle onwankelbaar geachte waarden waarnaar wij nu weer zo amechtig naar op zoek zijn, onderuit gehaald te worden. In de jaren tachtig en negentig hebben we uit wat overbleef na die bruisende jaren vooral de conclusie getrokken dat de collectieve idealen niet tegen de tand des tijds bestand bleken te zijn. En een aantal mega-experimenten van de moderne geschiedenis zoals het reëel bestaande socialisme in oost Europa zakten ook daadwerkelijk door hun hoeven.
Wat overbleef was de sterke gerichtheid op de individu die rechten had vooral, mogelijkheden moest exploreren, kansen moest pakken en aan z’n eigen ontwikkeling moet werken. Samen met anderen? Zo lang het leuk is en als het maar niet te lang duurt; we willen ons niet graag “binden”.
Als een of andere spirituele ervaring daarbij kan helpen; prima, maar dat is heel wat anders dan een kerk. De kerk, welke dan ook, is niet meer gezaghebbend als het om normen en waarden gaat. Ze willen dat wel, maar niemand luistert.

Dit is allemaal lastig. Een vast pakket van normen waarnaar geleefd werd, is handig. En iedereen overzichtelijk in z’n eigen hok bestuurt een samenleving ook betrekkelijk eenvoudig. In die zin zou je Ella `Vogelaar kunnen volgen als ze zegt dat op termijn onze cultuur zal zijn veranderd van een “joods-christelijke cultuur” naar een “joods-christelijk-islamitische cultuur”.
Maar vergeet het maar: wat er ook te zeggen valt over die “joods-christelijke cultuur” die puur in verval en die zal echt niet uitgebreid worden met een islamitische aanbouw.

Ik kom tot de afronding van mijn verhaal.

Wat heeft deze hele redenering nu voor effect op de opstelling van de lokale overheid ten opzichte van wat voor deze avond wat braafjes “levensbeschouwelijkheid” is genoemd?

Volgens mij kan het niet anders dat de overheid neutraal tegenover levensbeschouwelijkheid staat. Een beetje een open deur. Het betekent dat ik als vertegenwoordiger van de lokale overheid geen enkele reden zie ook maar iets bij te dragen aan het welbevinden van de katholieke kerk in onze stad. Ik ben niet bij liefdadigheidsdingen van die kerk en niet op hun kerstviering. Althans niet als vertegenwoordiger van de gemeente want de katholieken kunnen wel mooi kerstmis vieren. Dat geldt ook voor de protestanten in al hun onderscheiden kerkjes.
Maar ik doe dat ook als er Islamitische feesten zijn
Dan ben ik er ook niet.
En daar komt voor mij nog iets bij dat ik een van de grote onwaarachtigheden van onze tijd vind.
Nog niet zo lang geleden was er een belangrijke bijeenkomst van de Partij van de Arbeid over de Prachtwijken waar Wouter Bos op een bepaald moment aankondigde weg te moeten omdat hij naar een Iftar-maaltijd moest. Hij moest niet gewoon naar huis, het was niet zo dat hij het gezeur voor een keer beu was, nee, hij moest naar een Iftar-maaltijd. Een veel beter excuus om de vergadering voortijdig te verlaten en Wouter werd bijna ontroerd nagekeken: mooi hè, hij gaat naar de Iftar-maaltijd.
Dit gekoketteer met wat wij als “echte Nederlanders” nauwelijks begrijpen en waar wij niets mee hebben, puur de religie van een ander, daar word ik wel eens wee van. Belangstelling? Best, maar ik heb hooguit belangstelling voor de maatschappelijke effecten van religie en niet voor de inhoud en volgens mij geldt dat voor heel veel mensen als ze daar eerlijk over zijn.

Hoe moet de lokale overheid omgaan met uiterlijke verschijnselen van religie in de samenleving?
Omdat de ontkerkelijking onherroepelijk ook onder moslims toe zal slaan, kan ik openlijke geloofstekenen in de samenleving (hoofddoekjes, de moskee, een boerka voor mijn part) erg relativerend bekijken. Ik word er niet opgewonden van en ik zou denken dat als ons nog wat rest van onze tolerantie, we die hier in zouden moeten zetten.

En hoe moet de overheid omgaan met radicalisering? Religieuze radicalisering gaat naar mijn opvatting dus recht in tegen de loop van de ontwikkelingen, dat zult u wel begrepen hebben. Maar iedereen denkt maar wat hij wil maar gevaarlijke radicale acties moeten hard bestreden worden (nog los van het acute gevaar ook omdat ze een totale bevolkingsgroep die er niets van moet hebben, besmeurt)
In dit praatje over “levensbeschouwelijkheid”  is het misschien goed om daaraan toe te voegen dat in het licht van wat ik over religie heb gezegd, religieus radicalisme heel letterlijk misplaatst is in onze Nederlandse cultuur en in de fase waarin we in de Nederlandse geschiedenis zijn  terechtgekomen.

Tenslotte nog dit.
Het was nog een heel verhaal. Ik denk dat ik duidelijk geweest ben, maar misschien heb ik het toch weer te ingewikkeld gemaakt en hebt u niet alles begrepen. Als dat zo is, kan ik u zeggen dat dit ook erg Nederlands is.

Roel Sluiter

 
Copyright Kleurrijk Fryslân 2007
designed by Dennis Roza